De arboman

Ik werk zonder twijfel voor het leukste bedrijf van Nederland. Mijn collega’s beschouw ik als mijn vrienden. Als ik er goed over nadenk, dan gaat het nog wat verder. Het voelt meer als een soort familie. We staan voor elkaar en achter elkaar, een enkele keer schreeuwen we elkaar de tent uit (dat hoort er ook bij), we werken eendrachtig aan onze producten omdat we kwaliteit willen leveren en het leuk vinden om onze klanten blij te maken. En het belangrijkste: we lachen heel wat af.

Je zou zeggen dat onder deze omstandigheden re-integratie geen moeilijk onderwerp kan zijn. En toch is dat het aldoor wel een beetje. Donald, met wie ik er steeds het meeste contact over heb gehad, beschouwt mij al een beetje als zijn hoofdpijndossier. In toch wel meer dan 50% van de gevallen waarbij het ging over het hervatten van werk en arbo-afspraken, heeft hij van mij een verdrietig/boos/geïrriteerd/gekwetst mailtje/appje/telefoontje teruggekregen. Ik voel me vaak niet begrepen.

Arbo en re-integratie zijn bij meer kankerpatiënten inspannende onderwerpen, te oordelen naar hetgeen ik op de fora lees en hoor van de kankerpatiënten die ik zelf spreek. Pak je azijnfles maar vast uit de kast, want er gaat daarbij nog wel eens wat bij mis. Een werkgever die twee weken na je doodvonnis vraagt of het niet eens een keer tijd wordt dat je weer eens een paar uurtjes thuis gaat werken. En een verhaal uit de eerste hand: een werkgever die zijn Poortwachter-boete wegens nalatigheid op re-integratiegebied wil verhalen op de zieke. Pfff, that takes the cake, of niet? Als het niet zo slecht te handelen was voor de patiënt, dan was het om je rot te lachen.

Dit zijn natuurlijk de minder fraaie voorbeelden, maar zelfs ik en mijn lieve collega’s, waarvan ik zeker weet dat ze alleen maar het beste voor mij willen, komen met elkaar in botsing over de arbo. Daarbij zie ik in elk geval twee dingen die een rol spelen.

Het eerste is dat het gewoon ongelooflijk moeilijk is om je voor te stellen hoe het met de kankerpatiënt gaat. Dat geldt niet alleen voor de collega’s, die relatief ver weg zijn, maar ook voor mensen dichterbij: buren, kennissen en zelfs voor gezinsleden onder hetzelfde dak. Het begint er natuurlijk al mee dat de patiënt zelf de helft van de tijd niet goed weet hoe het nou met haar gaat.

Tenminste, dat is bij mij zo. Mijn lichaam is zo van de rel en zó veranderd, ik weet niet meer wat normaal is en wat er gewoon bij hoort en wanneer het echt mis met me is. Weet ik veel, voor zover ik kan overzien moet ik het er misschien gewoon wel de rest van mijn leven er zo mee doen, ongeacht de staat waar ik in verkeer. Nu ik me beter voel, is die gedachte niet zo erg. Maar op slechte dagen is dat best een rottig vooruitzicht.

En het is moeilijk voor de mensen om aan te zien dat het niet gaat. Ze willen graag dat het wél met je gaat. Omdat ze het je zo gunnen. Omdat het henzelf beangstigt: dit kan toch niet zo blijven, hier moet een oplossing voor komen. En soms vragen ze zich af of je je misschien niet wat zou moeten vermannen. Pauline, de medisch maatschappelijk werkster die ik spreek in het ziekenhuis, zei er het volgende over: ‘Iedereen wil graag dat alles zo snel mogelijk weer wordt zoals het was. Dat is de natuurlijke neiging van de mensen. Ze willen die leuke, frisse, enthousiaste vrouw terug die hun collega was, hun buurvrouw, hun dochter of vriendin of moeder. En die neiging geldt ook voor jezelf. Maar je bent ziek, het is nu anders en dat wringt met die menselijke neiging.’

Het tweede is dat ik tegenwoordig

zo
ongelooflijk
kwetsbaar

ben.

Als werkende collega tussen de andere collega’s ontleen ik zekerheid aan mijn zinvolle bijdrage aan het bedrijf en aan mijn productiviteit. Die houvast is er nu niet en dat maakt me kwetsbaarder en onzekerder dan normaal. Daardoor wordt vertrouwen een issue. Ik ben enorm snel geraakt als ik het idee heb dat de ander mijn gezondheid overschat, of niet begrepen heeft dat ik bepaalde dingen echt niet kan, kortom als ik denk te merken dat mijn beoordeling van mijn situatie niet serieus genomen wordt. Lopen op eieren dus met mij, hoofdpijndossier.

Omdat ik bij het leukste bedrijf van Nederland werk en de beste collega’s van de wereld heb, heb ik dit goed kunnen bespreken. Ik heb gevraagd of ze zo voorzichtig mogelijk met me willen doen en me zoveel als mogelijk vertrouwen willen geven. Nu verzekerden ze mij dat het met dat vertrouwen wel helemaal goed zit. Maar het is handig dat ze weten dat ik dat zelf gauw anders voel.

Vorige week was het zover, ik ging voor het eerst sinds november langs op kantoor. Vriendin/collega Mathilde had me opgehaald en gereden en ik stapte ’s ochtends om half elf de deur door. Het voelde alsof ik er gisteren nog was, eigenlijk ongelooflijk gewoon. Het was fijn om iedereen te zien. Heel fijn. Om elf uur had ik een gesprek met de arbeidsdeskundige en Donald. De arboman legde de wet Poortwachter uit. Ik had zelf een plannetje gemaakt voor het opbouwen en het uitbouwen van de uren. Omdat ik een behoorlijke reistijd heb en ik door de prednison niet echt makkelijk kan autorijden (‘Hoe is dat dan,’ vroegen Donald en de arboman, en ik zei: ‘Alsof er plexiglas zit tussen mij en de wereld’), wilde ik gaan starten met een paar uur per week vanuit huis.

De arboman vond het plan goed, maar wilde in plaats van over drie weken, liever zo spoedig mogelijk starten. Hij zegt iets over dat ik vandaag toch ook hier gekomen ben, dus dat ik dan ook wel een paar uurtjes kan werken misschien. Wat is dat toch verrekte lastig. Ik ben hier, maar vraag niet hoe. Mijn bolle prednisonkop helpt vast ook niet bij de beeldvorming.

Ik kijk hem aan. ‘Ik vraag het weer,’ zeg ik. ‘Vanwaar de haast? Ik heb longontsteking, misschien weet je dat niet? Ik ben echt serieus ziek.’
‘Jawel, dat weet ik wel,’ zegt de arboman.
‘Ik ben hard aan het opknappen,’ zeg ik. ‘Ik wil voorzichtig met mezelf doen. Wat maken die drie weken nou uit? Ik snap dat niet.’
‘Als jij zegt dat het te zwaar is, dan wil ik dat uiteraard respecteren,’ zegt de arboman. Dat doet me enorm goed. Vertrouwen. ‘Maar,’ zegt hij, ‘ik zie dat je misschien je lat erg hoog legt. Dat je denkt: ik moet er helemaal klaar voor zijn. Die uren die ik ga maken moeten volmaakte uren worden. En dat hoeft niet. Je mag ook proberen, kijken hoe het gaat. De start van het traject is voornamelijk aftasten van hoe het gaat en wat de inspanning met je doet.’

Daar heeft hij een punt, want dat klinkt inderdaad als een echte Jo-valkuil. Meteen voor de volle 100% er in. Proberen? Doe normaal, natuurlijk niet. Ik ben om. Ik ga proberen. We spreken af dat Ton mij voorlopig voorziet van afgebakende huiswerkjes met een kop en een staart. Ik heb er zin in.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s